Posts tonen met het label CATHOLICISME. Alle posts tonen
Posts tonen met het label CATHOLICISME. Alle posts tonen

woensdag 22 juli 2009

DE KLEI EN HET VUUR (Deel 2)


DE KLEI EN HET VUUR (Deel 2)
Marc Joris
Sacrale ruimte
Natuurlijk heeft God geen kathedralen, gezangen, liturgische gewaden en glasramen nodig. God is niet méér aanwezig in een kathedraal of een tempel dan gewoon op straat. Als onze ziel leeg blijft, dan zijn wij zelfs op de heilige berg Tabor of in de kathedraal van Chartres niet dichter bij God dan op de begane grond in een nieuwe verkaveling. De enige plaats waar we God werkelijk kunnen ontmoeten is in het diepste van onze ziel. Maar om onze ziel terug te vinden moeten wij ons kunnen los-
maken uit de beslommeringen, de denkpatronen en de grauwheid van de gewone seculiere wereld. Wij moeten een sacrale ruimte vinden, of bouwen, om daar tot inkeer
te kunnen komen, om ons open te kunnen stellen voor die goddelijke aanwezigheid vanbinnen. De joden, de protestanten en de Getuigen van Jehova vinden dat wij ka-
tholieken gevaarlijk dicht bij afgodenverering en beeldencultus staan als wij bidden voor een kruisbeeld met de lijdende Christus, voor een Mariabeeldje, een kerststalletje
of een icoon. Dat beeld is toch niet goddelijk? Natuurlijk niet, maar het helpt wel om onze rusteloze gedachten af te leiden van het gewoel van de wereld, en om ons te
concentreren op iets sacraals. Het raakt een diepere, prelogische, pre-moderne symbolische laag van onze ziel, die anders misschien altijd onbewust blijft sluimeren, zonder ooit echt te ontwaken. En juist in die duistere laag kunnen we soms een glimp van God opvangen. Zelfs de primi tieve mens voelde die behoefte aan een sacrale ruimte - een grot, een heilige berg, een plaats in het woud of diep in de woestijn - een plek waar hij buiten de gewone wereld kon treden en deel hebben aan een hogere, geestelijke werkelijkheid. God is niet meer aanwezig in die sacrale ruimte dan elders, maar daar staan wij meer voor Hem open. God heeft geen kathedralen, tempels of synagogen nodig, en ook geen rituelen en geen offers, maar wij mensen wel. Anders blijven we gevangen in de materiele wereld. Rituelen spreken nog in de oude, bijna vergeten symbolentaal van de ziel, uit de begintijd, toen de menselijke geest alleen met beelden was vervuld en nog niet met woorden. Ja, het christendom is waardeloos als we het alleen in de kerk beleven en er niets van meenemen naar ons gewone leven in de materiële wereld. Maar het geloof kan niet ontkiemen als het niet die afgebakende, sacrale plaatsen heeft, waar het beschermd is tegen het geraas en het gebral en de twisten en de oppervlakkigheden van de buitenwereld. Net zoals je sommige plantjes eerst in een serre moet laten ontkiemen. Pas als ze een beetje uitgegroeid zijn, kun je ze in openlucht in volle grond overplanten. Het is onzin te beweren dat de mens geen sacrale ruimte en geen sacrale rituelen nodig heeft. Er moet een afscheiding zijn tussen de sacrale en de seculiere wereld. Maar laat die afscheiding een poort zijn, geen gesloten muur.
Mystieke bewegingen
Dat het vuur niet bewaard kan blijven zonder de klei, blijkt ook uit de geschiedenis van
zovele mystieke en charismatische bewegingen, die voor korte tijd geschitterd hebben en duizenden mensen konden bezielen, omdat zij na een blikseminslag het oorspronkelijke vuur hadden teruggevonden. Een vuur dat helderder en stralender brandde dan de smeulende as die
in de officiכle kerk werd bewaard, soms onder een veel te dikke laag klei. Maar die bewegingen waren meestal strovuren. Ze hadden geen structuur, geen filosofie, geen theologie om de mystieke ervaring een plaats te geven, te kaderen en te interpreteren. Sommige mystieke bewegingen werden de facto nieuwe kerken, met een heleboel structurele en materiכle klei. Andere, zoals die van de
Heilige Franciscus, kregen een plaats binnen de katholieke kerk, meestal als kloosterorden. Maar geen enkele spirituele beweging is in haar oorspronkelijke, ongestructureerde vorm blijven bestaan, ook niet binnen het jodendom. Zonder het omhulsel van klei dooft het vuur heel snel uit. Zelfs binnen het meest harmonische religieuze systeem zal er altijd een spanningsveld blijven tussen de
oorspronkelijke mystieke ervaring van het goddelijke vuur en de structuren, dogma's, interpretaties en leerstellingen waarmee de volgende generaties proberen het vuur te bewaren en te begrijpen. In de geschiedenis van vele katholieke kloosterorden kan men heel goed zien hoe het oorspronkelijke vuur steeds minder helder straalde, hoe de mystieke ervaring van de stichters verbleekte en ver-
loren ging, tot er soms alleen nog maar een leeg omhulsel van klei overbleef. En meestal trokken enkele monniken dan weg uit zo' n zielloos klooster om elders, in een ruige, onbewoonde vallei, een nieuwe orde te stichten, met regels die zuiverder en strenger waren. En dan werden de
oude, bijna gedoofde sintels weer aangeblazen tot een bezielend, heilig vuur.
De stervende kerk
De klei van de katholieke kerk is in Vlaanderen nog overal zichtbaar, in honderden gebouwen, van kapelletjes tot kloosters en kathedralen. De hardware is er nog. De organisatorische structuren zijn
ook nog intact. Maar vele van die gebouwen staan leeg, of er komen nog maar heel weinig gelovigen, en dikwijls zijn dat vooral oudere mensen. De structuren zijn onderbemand, en ook daar ligt de gemiddelde leeftijd angstwekkend hoog. Oudere priesters moeten drie of vier pa-
rochies tegelijk onder hun hoede nemen. Er is geen opvolging. Wat is er bijvoorbeeld nog over van de jezuïeten-orde? Het grote sterven is begonnen en het zal niet lang meer duren vóór ook die organisaties doodbloeden, of overgenomen worden door leken die dikwijls alleen nog in naam christelijk zijn, die hoogstens nog een heel oppervlakkige band hebben met het oorspronkelijke vuur. De "Guimardstraat" is daarvan een heel pijnlijk voorbeeld. Er zijn gelukkig uitzonderingen, maar ze zijn allemachtig schaars. En dat zou allemaal nog het ergste niet zijn, als niet ook het vuur begon te doven. Hoe weinig priesters durven nog iets zeggen over de onsterfelijke ziel of het
leven na de dood? 0 ja, men leest die frasen nog voor als ze in het evangelie of het epistel staan. Maar men durft ze verder nauwelijks meer verkondigen, zelfs niet met Pasen. De prediking en de catechese zijn verschrompeld tot leringen over het aardse leven. Maar een godsdienst, die naam waardig, moet juist antwoorden geven op de vragen die dat overstijgen. Is er leven na de dood?
Is er een hiernamaals? Zullen wij geliefde overledenen terugzien? De kerk zou op al die vragen met een luidkeels "Ja!" moeten antwoorden. Ja, de ziel is onsterfelijk. Ja, de dood is slechts een poort naar een ander bestaan. Ja, dit aardse leven is slechts een overgangsfase. Een belangrijke fase, maar zeker niet het alfa en het omega, zeker niet het einddoel. Het lichaam is klei, de ziel is een
onsterfelijk vuur. Maar men durft niet meer ingaan tegen het dogma van het wetenschappelijk materialisme, dat beweert dat vuur helemaal niet bestaat. en dat er alleen klei is ... Net zoals men de katholieke ethiek inzake huwelijk, gezin en seksualiteit niet meer durft verkondigen. Net zoals men geen kritiek durft leveren op de islam. Dat de kerk in Vlaanderen kleiner wordt is niet zo erg. Maar ze wordt steeds tandenlozer, steeds lauwer. Ze durft het vuur niet meer aanblazen.
Geef het vuur door
Toch moet het vuur onder de oppervlakte nog altijd smeulen. De toestand is uiterst ongunstig, maar niet helemaal hopeloos. Paus Johannes Paulus II en de huidige paus Benedictus XVI hebben bij miljoenen jongeren het vuur opnieuw kunnen aanblazen, ondanks het feit dat zij geen enkele toegeving deden/doen aan het moderne materialisme. Ja, waarschijnlijk juist dank zij het feit dat zij geen toegevingen deden. Elk van die mannen stond/staat als een rots in branding. Ze dwongen en dwingen bewondering af, omdat men achter hun woorden het vuur kon voelen. En zowel binnen als buiten de kerk is een schreeuwende behoefte aan spiritualiteit en zingeving. Miljoenen mensen voelen de "godvormige holte" aan - dixit Salman Rushdie - die het materialisme in hun hart heeft achtergelaten. Er is zeker een vruchtbare voedingsbodem voor een christelijke renaissance. Wij zijn geen bisschoppen of curiekardinalen. Wij hebben geen invloed op de structuren en de organisatie. Wij heersen niet over de klei. Maar we kunnen toch een heel klein beetje het vuur doorgeven. In de eerste plaats in ons eigen gezin. Reken er niet op dat de school uw kinderen wel de nodige katholieke bagage zal meegeven. In sommige scholen gebeurt dat nog, maar het is eerder de uitzondering dan de regel. U zult uw kinderen - of eventueel uw
kleinkinderen of uw petekinderen - zelf iets van het vuur moeten doorgeven. En als u iets meer wil doen, als u niet bij de pakken wil blijven zitten, geef dan catechese voor vormelingen en plechtige communicanten. In de meeste parochies is er een schreeuwend tekort aan catechisten. Ja, u zult soms compromissen moeten sluiten met opvattingen die tè modern en tè materialistisch zijn. Maar
als u het vuur hebt, zult u het kunnen doorgeven. Dat zal de kerk niet redden of het priestertekort niet opvangen. Maar u zult die kinderen op de drempel van hun tienertijd toch iets kunnen vertellen over God, de onsterfelijke ziel en het eeuwige leven. Iets wat ze misschien nog nooit gehoord hebben en later nooit meer zullen horen, ook niet van hun godsdienstleerkrachten. Ja, soms zult u op scepsis en ongeloof en onverschilligheid stoten. Soms zelfs op regelrechte spot. Maar als achter uw woorden het ware vuur voelbaar is, dan zullen zij niet verloren gaan. En zelfs als u maar één ziel kunt redden uit de modder van het materialisme, dan is het nog de moeite waard geweest. Want zoals uit één zaadje een enorme boom kan groeien, zoals één vonk een bosbrand kan ontketenen, zo kan ook het vuur weer doorgegeven worden, van mens
tot mens. Het lijkt misschien een hopeloze taak. Kan iets dat zó kleinschalig is een crisis bezweren die een heel continent verziekt? Het lijkt hopeloos. Maar dat is het niet. Het kàn. Tweeduizend jaar geleden is het tenslotte ook zo begonnen.
Uit KORT MANIFEST 171

Digitaliaanse Divers Divergentia
Even stilstaan, onderweg; zou voor vele tijdsgenoten heilzaam kunnen resp. moeten zijn. Men hoeft niet perse ‘katholiek’ te zijn, om deze tekst te laten doordringen, op een stil moment. En liefst nog vòòr de laatste kerk is omgevormd volgens de nieuwe riten. Niet die van Rome, of Byzantium, maar van Mekka….
Ik hoop, door hierbij Kort Manifest van de Wies Moens Stichting een zetje te geven, alleen een paar mensen te hebben kunnen doen nadenken. Mensen als Lewie Tobback zullen hun schouders ophalen, tenminste zo lang ze in zicht zijn. Anders zoals Kardinaal Van Rompuy zullen begrijpend knikken, maar er stilletjes het hunne van denken. En de echte Kardinaal? Die zal minzaam mompelen dat deze tekst niet aan hem is besteed. Noch aan de zijnen….
Hij zal dus in hoofdzaak bestemd zijn voor de afvalligen, de lauwen en….‘ongelovigen’.
Parels dus voor de zwijnen? Of juist niet?!

Pssst Ben wel een paar uur zoet geweest met deze tekst in te scannen. Maar het is de moeite geweest – bepaalde passages ken ik nu bijna letterlijk uit het hoofd. Al moet ik zeggen reeds vele jaren geleden mijn Plechtige Communie gedaan te hebben.

Pssst II Misschien ben ik onwillekeurig diep beïnvloed door het beeld van…klei en vuur, want ik stam uit een steenbakkersfamilie uit het Ieperse….Het is wel van mijn vroegste onthoud, nog uit de oorlogsjaren, dat ik de zondagnamiddag mee mocht met onze Pa naar het ’briekewerk’ aanpalend aan ons landje. De brave man had week-end dienst waarschijnlijk, om ‘de viering’ te bewaken, dwz zeggen dat het vuur diep in het binnenste van de over, niet zou doven. Een vertrouwenskwestie! Ik was toevertrouwd aan grote broer, die mocht helpen om de antraciet, waar nodig, naar binnen te kieperen, schep per schep. Aan een rammelende ketting mocht ik de vele dekseljes omhoog trekken en de half gebogen betonnen vloer was stikheet want we moesten lopen op klaar staande veel te grote klompen voor mijn kindervoetjes. Die zondagnamiddag werden dan achteraf enkele foto’s genomen, waar ondergetekende fier als een pauw poseert met de geit, de levende bron van vitaminen voor de familie, het wenen nader dan het lachen, wegens de kapotte knoezels van die klompen. Van dezelfde keer dateert de kostbare familie-foto van ons Vader op ‘zijn’ paard…En nu ik die foto omdraai, zie ik in verbleekte inkt staan ‘maart 1943’ …De volgende zaterdag was hij gestorven…Bezettingsfoutje van maartse buiten bij het invorderen van paarden….Och het is een lang verhaal van repressie en menselijke ellende. Maar klei, en vuur, dat zegt me wel iets….…

DE KLEI EN HET VUUR (Deel 1)


DE KLEI EN HET VUUR (Deel 1)
Marc Joris


Op de Andaman-eilanden, voor de kust van Indië, wonen bevolkingsgroepen die al zestigduizend jaar in afzondering leven. Op grond van genetisch onderzoek veronderstelt men dat zij rechtstreeks afstammen van de eerste mensen die zich ooit buiten Afrika vestigden. Er zijn nog zo'n vierhonderd Andamanezen in leven. Ze behoren tot twee
verschillende stammen. Hun talen zijn met geen enkele andere bekende taal uit heden of verleden verwant. Maar het vreemdste is dat de Andamanezen, net zoals de pygmeeën van de Akastam, nog steeds geen vuur kunnen maken. Net zoals de oermensen bewaren en vervoeren zij gloeiende sintels en smeulend hout in kleipotten. Dit vuur wordt al duizenden jaren bewaard en oorgegeven,
zonder dat het ooit is gedoofd. Er zijn geen vulkanen op de eilanden, dus het vuur is waarschijnlijk afkomstig van branden die zijn ontstaan na blikseminslagen, millennia geleden, lang vóór de iramiden werden gebouwd, lang vóór in Sumerië, de Indusvallei of het huidige China de eerste grondslagen van beschaving werden gelegd. Dat vuur is ouder dan gelijk welk schriftsysteem, gelijk welk gebouw, zelfs ouder dan de primitiefste vormen van landbouw. Maar het is altijd bewaard gebleven. ïThe Book of General Ignorance, Lloyd & Mitchinson, uitg. Faber and
Febet; Londen) Er is nog iets zeer merkwaardigs in de cultuur van de Andamanezen: hun oppergod Puluga lijkt heel veel op de God uit de bijbel. Hij is onzichtbaar, eeuwig, onsterfelijk en alwetend. Hij biedt de mensen liefde en troost als zij lijden, maar hij wordt woedend als zij zondi-
gen, en als het te erg wordt, straft hij hen door een grote vloedgolf te sturen. Waarschijnlijk is dat het oudste zondvloedverhaal uit de menselijke geschiedenis. De herkenbaarheid daarvan is bijna ontroerend. Die primitieve mensen, die niet eens vuur kunnen maken, hebben misschien altijd al een intuïtieve kennis gehad van de Ene Ware God, lang vóór het christendom en zelfs het judaïsme bestonden, lang vóór Abraham en Echnaton.
Een sinteitje geloof
De beschrijving van die kleipotten met gloeiende sintels waarin het vuur generaties lang wordt doorgegeven, trof mij omdat ze zo'n sterke gelijkenis vertoont met het spirituele vuur dat in het christendom al tweeduizend jaar wordt doorgegeven en in het jodendom nog veel langer. Het vuur is natuurlijk het vuur van de geest, van het geloof, van Jezus en Mozes en Abraham en de profeten. De klei is de kerk. Met de hand geschreven evangelies, boekrollen met de teksten van
de Thora, gedrukte bijbels uit de eeuwen na Gutenberg, houten staafkerkjes, wierook, altaren, psalmen, keppeltjes, mijters, tiara's en kathedralen, glasramen, orgels, synagogen, gebedsriemen, religieuze muziek, kruisbeelden en polyfone missen, maar ook de kerkelijk hiërarchie, het rabbinaat, de wetteksten en de theologie, de kerkfabrieken en de parochies ... Het is allemaal klei, bedoeld om het vuur te bewaren en door te geven. Soms lijkt er nog zo weinig over te blijven, alleen maar sintels en gloeiende as. Maar die vonken kunnen opnieuw aangeblazen worden, tot een haardvuur dat ons beschermt tegen de onbarmhartige vrieskou, tot vuur voor de oven met het
brood, tot licht in de lampen en de fakkels en de kaarsen, en soms, als het misgaat, tot bosbranden of een vuurstorm die een hele stad verwoest. Het vuur kan niet blijven bestaan zonder het nederige omhulsel van klei. En de klei is nutteloos als er niet minstens nog een sinteitje geloof overblijft. Veel geloof is verloren gegaan omdat mensen het onderscheid tussen de klei en het vuur niet meer
begrepen of niet meer wilden begrijpen. Vele religieuze leiders zijn dronken geworden van macht en hoogmoed, omdat zij dachten dat zij greep hadden op het goddelijke of dat zij Gods gezanten of uitverkorenen waren, terwijl zij alleen maar over de klei regeerden. Velen zijn gegrepen door het waanbeeld dat de klei belangrijker was dan het vuur, dat een kerk geleid kon worden als een wereldlijke staat. met legers en beulen, met inquisiteurs, paleizen, hovelingen en de verkoop van aflaten of in de moderne tijd, met subsidies en lippendienst aan de heersende politieke ideologieën. Velen stelden de klei voorop en vergaten het vuur. En soms offerden zij zelfs het vuur op aan
de klei.
Eerbied of hybris
Een kind van mijn catechesegroep vroeg me eens waarom er zoveel kunstvoorwerpen in kerken stonden, zoveel goud en zilver. Was dat allemaal wel nodig? Was dat niet helemaal verkeerd? En ik ken ook enkele volwassenen die aan het christendom zijn beginnen twijfelen door de fabelachtige rijkdommen te zien van de Vaticaanse musea en Sinr-Pieters in Rome. Heeft de klei daar het vuur niet verstikt? Niet noodzakelijk. Als het goud en de schilderijen en de marmeren beelden bedoeld zijn om God te eren, om uit te drukken hoe kostbaar en verheven het Heilige voor ons is, om een scheiding aan te brengen tussen de profane en de sacrale wereld, dan is er niets verkeerds mee. Alleen de mooiste kunstwerken kunnen een glimp suggereren van de schoonheid van de spirituele wereld. In die zin zijn ze waarlijk transcendent. Zelfs arme mensen in àlle godsdiensten en àlle culturen hebben de behoefte God of de goden te eren met offers en kostbare geschenken. In Latijns-Amerika moeten priesters soms een beetje op de rem staan. Nee, het is echt niet nodig geld in te zamelen voor nóg een duur Mariabeeld of een nóg grotere monstrans. Wij hebben nu de neiging ons modern materialisme en cynisme te projecteren op het verleden en aan te nemen dat koningen, keizers en pausen alleen kathedralen lieten bouwen en religieuze kunst lieten vervaardigen om hun eigen prestige te vergroten en niet uit eerbied voor God. Dat godsdienst voor hen slechts een instrument was. Dat het hen alleen om de klei van de macht te doen was, en niet om het vuur van het geloof. Ja, machthebbers zijn waarschijnlijk altijd in zekere mate cynisch en hypocriet geweest, nu evengoed als in de Middeleeuwen of de Renaissance. Maar we weten niet of er naast dat cynisme en dat machiavellisme niet ook nog oprecht religieus gevoel was overgebleven, en waarschijnlijk ook een zekere "vreze Gods".
Net zoals vele politici nu niet alleen door eigenbelang worden bewogen, maar dikwijls door ideologiën. Zij het dan meestal absoluut immorele en onchristelijke ideologieën. Maar dat is nog altijd iets anders dan cynisme. hebzucht of eigenbelang. Als een bisschop een met goud doorstikt gewaad aantrekt uit eerbied voor God, dan stel hij een waarlijk religieuze symbolische handeling. Als hij datzelfde gewaad aantrekt om zichzelf machtig te voelen en verheven, zoals een generaal in vol ornaat verheven is boven de gewone soldaten, dan is hij alleen verwaand. Dan lijdt hij aan dezelfde hybris als wereldlijke heersers. Dan wordt het vuur door de klei verstikt. En in werkelijkheid was de situatie waarschijnlijk nooit zwartwit, waren beide motieven, het seculiere en het religieuze, onontwarbaar met elkaar verstrengeld. Men voelt intuïtief aan dat er een wereld van verschil bestaat tussen een paus die een fortuin uitgaf aan een basiliek of aan de fresco's in de
Sixtijnse Kapel en een andere die met zo'n fortuin juwelen kocht voor zijn maîtresses. En zelfs daar is de scheidingslijn soms onduidelijk, want sommige pausen deden beide dingen tegelijk. De zonden en zelfs de misdaden van pausen, monniken, priesters en andere geestelijke leiders
kunnen een reden zijn om de kerk de rug toe te keren, om hervormingen te eisen of zelfs om een muiterij te beginnen, zoals Luther dat heeft gedaan. Maar ze kunnen nooit een goede reden zijn om het geloof overboord te gooien. Het vuur kan niet aangetast worden door fouten in de klei.
De mens maakt een grove denkfout als hij het vuur verwerpt omdat de klei niet deugt.
De noodzaak van structuren
Zonder het vuur is de klei waardeloos. Maar ook het omgekeerde is waar: zonder het omhulsel van klei kan het vuur niet overleven. Toen ik in de middelbare school zat, in de jaren '60, werd de kerk
geteisterd door een verschrikkelijke Beeldenstorm. En het waren niet de geuzen die zoveel verwoestingen aanrichtten, maar de katholieken zelf. Ja, misschien moest er wat meer soberheid komen. Misschien moest er inderdaad in de overdadige bomen van het rijke Roomse leven
gesnoeid worden. Maar het snoeien ging zo diep dat vele bomen stierven ... Mijn verbijstering, verdriet en woede daarover werden nog versterkt toen ik zag dat zovele gelovigen, leken en geestelijken, geen vinger uitstaken om die kaalslag tegen te houden. Ze lieten het zomaar gebeu-
ren. Ze durfden niet eens voor hun tradities vechten. Was hun geloof dan zo weinig strijdbaar? Was het achter de façades van volle kerken dan al helemaal uitgehold? Voor mij was het de ondergang van een wereld, de patriarchale wereld van de oude, vertrouwde katholieke kerk, waarin
ik als kind geborgen en gelukkig was geweest, de kerk die een wonderlijke poort had getoond naar een hogere wereld, die een bastion was in de strijd tussen goed en kwaad. De symbolen, tradities en rituelen waarmee mijn ziel met duizenden fijne draadjes verbonden was, werden plots verbannen. In mijn vroegere school werd toen een kerk gebouwd die eruitzag als een betonnen bunker. Niet gewoon sober, maar kaal, modern en dood, zonder ziel, zonder geschiedenis. Het was toen bon ton smalend te doen over al die oude symbolen, tradities, gewaden, gebouwen en liederen. Dat was zogezegd nauwelijks meer dan bijgeloof. Het was maar oppervlakkige schone schijn, overbodige materiële franje. Het was slechts klei, niet vuur, en alleen dat vuur telde toch, nietwaar? Je kon toch even goed de mis opdragen in een gewoon klaslokaal?
Beelden, wierook en glasramen waren toch nergens voor nodig? De priester kon toch evengoed gewoon een trui en een slobberbroek dragen? Dààr hing het geloof toch niet van af? Dat was toch de essentie niet. Nee, inderdaad, dat was niet de essentie. Het was slechts klei, niet vuur. Maar toen dat omhulsel van klei was weggegooid, toen doofde ook het vuur heel snel. Duizenden generaties mensen van een paar dozijn verschillende godsdiensten en beschavingen, hadden dat in hun hart altijd geweten. Maar de moderne mens dacht dat hij het allemaal beter wist. Dat hij met zijn briljante verstand tabuia rasa kon maken. Dat hij de millennia oude wetten van de goden en de geschiedenis van zich af kon schudden zoals een slang dat doet met haar verdroogde huid. En - oh ironie! - de ergste beeldenstormers, die zo hautain de spot hadden gedreven met de oubollige katholieke rituelen, gingen daarna wierook en kaarsen branden in boeddhistische tempels, zij hingen aan de lippen van oosterse monniken in saffraankleurige gewaden, of zij voltrokken vol toewijding en in opperste concentratie de complexe rituelen met de duizendbladstengels van het Chinese I Tsjing, het Boek der Veranderingen. Chassez le naturel, il revient au galop. Ik wijs alleen op de ironie van die situatie. Ik wil niet echt de spot drijven met die mensen. Zij hebben ten-
minste nog hun religieuze bezieling bewaard. Zij hebben tenminste nog naar spirituele waarheid gezocht, al is het dan niet langs christelijke wegen. Zij voelden de leegte in de kerk tenminste nog aan als een pijnlijk gemis. Zovele anderen zijn gewoon hedonisten en materialisten geworden. Of ze hebben geprobeerd de leegte te vullen met drugs en seksuele escapades. En tenslotte, om helemaal eerlijk te zijn: toen ik jonger was heb ik ook heel dikwijls in wanhoop, in de duistere nacht van de ziel, het ritueel met de duizendbladstengels voltrokken.